Vorige aflevering | Search TidBITS | TidBITS Homepage | Volgende aflevering

TidBITS#536/26-Jun-00

Wat gebeurt er als de bekende voorstander van open sources Eric Raymond 300 onverzettelijke Mac-programmeurs ontmoet op de jaarlijkse MacHack developers conference: staan de partijen koppig tegenover elkaar, of komen ze tot een gedachtenwisseling? Verder deze week de ervaringen van Ron Risley die van een afgeleefde PowerBook een krachtige Internet router en server maakte. Tot slot het bericht dat de rechtszaak over de monopoliepositie van Microsoft wellicht naar het Hooggerechtshof gaat, en een overzicht van de populairste MP3-spelers.

Onderwerpen:

Copyright 2000 TidBITS Electronic Publishing. All rights reserved.
Information: <info@tidbits.com> Comments: <editors@tidbits.com>


-> Denk je dat TidBITS interessant is voor <-
-> je vrienden, kennissen, collega's? Geef <-
-> hen de tip zich ook GRATIS te abonneren <-
-> of stuur deze aflevering naar hen door! <-


Je kunt je gratis abonneren op de Nederlandse afleveringen van TidBITS door een (blanco) mailtje te sturen naar: tidbits-nl-on@tidbits.com. Je krijgt deze dan per e-mail toegestuurd.
Om je abonnement op te zeggen, kun je een mailtje sturen naar: tidbits-nl-off@tidbits.com.


Deze editie van TidBITS werd gedeeltelijk gesponsord door:


De Nederlandse editie van TidBITS is een letterlijke vertaling van de oorspronkelijke Engelse versie. Daarom is het mogelijk dat een deel van de inhoud niet geldt in bepaalde landen buiten de USA.

Dit nummer werd uit het Engels vertaald door:

Verder werkten mee:


MailBITS/26-Jun-00

[vertaling: SL, JV]

Rechtszaak over monopoliepositie van Microsoft naar Hooggerechtshof -- Rechter Thomas Penfield Jackson - die de rechtszaak tegen Microsoft heeft geleid - heeft ingestemd met het verzoek van het Ministerie van Justitie op basis van de Expediting Act [wet die een versnelde rechtsgang mogelijk maakt - vert.] om het appel van Microsoft direct naar het Amerikaanse Hooggerechtshof door te verwijzen, en dus het U.S. Circuit Court of Appeals over te slaan. Rechter Jackson heeft Microsoft al schuldig bevonden aan het schenden van de antitrust wet, en eerder deze maand zowel een reeks beperkingen opgelegd aan de handelspraktijken van Microsoft, als bevolen dat Microsoft zou worden opgesplitst in twee aparte eenheden. De beslissing de zaak rechtstreeks naar het Hooggerechtshof door te sturen is een klap voor Microsoft, dat naar het Hof van Appel had willen gaan dat het bedrijf voorheen vriendelijk heeft behandeld, en al de omstreden toezegging had gedaan Microsoft's appel te laten horen door een commissie van zeven rechters in plaats van de gebruikelijke drie. Er zit echter voor de software gigant een zilveren randje aan de beslissing van rechter Jackson: het bevel tot splitsen en de opgelegde beperkingen zijn opgeschort totdat ze worden ontkracht of totdat Microsoft geen beroepsmogelijkheden meer heeft. Het Hooggerechtshof moet nu beslissen of het de zaak zal horen. Die beslissing kan snel komen, maar ook maanden op zich laten wachten, en nog altijd inhouden dat de zaak toch naar het Hof van Appel gaat. (Voor meer achtergrondinformatie, zie de eerdere besprekingen in TidBITS van de zaak tegen Microsoft.) [GD]

<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tbart=05875>
<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tbart=05971>
<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tbser=1152>

Enquête-voorbeschouwing: We Live to Serve -- Ondanks Apple's gebrek aan interesse de laatste jaren, is het Mac OS een stabiel, goedkoop en gemakkelijk te administreren Internet server platform voor middeldrukke sites (of voor persoonlijke initiatieven, zoals je verderop in Ron Risley's artikel kan lezen). De vraag voor deze week is dan ook welke gewone Internetdiensten je aanbiedt, zo die er al zijn, aan andere mensen vanaf een Macintosh. Als je sinds lang een voorstander bent van Mac OS-gebaseerde Internet servers, dan is dit je kans om deze benadering te evangeliseren naar gebruikers die misschien niet willen geloven dat de Mac een leefbaar serverplatform is. Stem vandaag op onze homepage! [ACE]

<http://www.tidbits.com/>

Enquêteresultaten: Ik wil mijn MP3 -- De resultaten van de enquête van vorige week waarin gevraagd werd welke MP3 speler je verkiest, verbaasden ons nogal. Slechts 12 procent van de bijna 900 deelnemers zegden nooit naar MP3's te luisteren, wat ik hoger verwacht had. Betreffende de programma's: SoundJam en Audion kwamen bijna samen over de eindstreep, met elk zo'n 30 procent van de stemmen. QuickTime Player, SoundApp en Macast zaten ergens tussen de 5 en de 9 procent, en GrayAmp, RealPlayer, MVP, Aqueous en QuickAmp kregen slechts een handvol stemmen. 21 personen stemden voor Andere, met suggesties in TidBITS Talk, waaronder AppleSource MP3, MPLAY, Liquid Audio Player en Amp Radio. Zie de TidBITS Talk berichten voor volledige informatie en links. [ACE]

<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tbpoll=45>
<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tlkthrd=1069>


Open Source en de Macintosh

door Adam C. Engst <ace@tidbits.com>
[vertaling: JV, TK, LmR]

Ik ben net terug van de jaarlijkse MacHack ontwikkelaarsconferentie, waar gesprekken over open source [open broncode] de regel waren, voornamelijk dankzij een uitdagende keynote van Eric Raymond, open source voorvechter en voorzitter van het Open Source Initiative. De keynote, die op het traditionele middernachtelijke uur begon, duurde tot bijna 6 uur 's morgens en was gevuld met debatten tussen Eric en een kamer ontwikkelaars, over de voordelen van open source voor de Macintosh industrie. (Voor een beschrijving van MacHack, zie "MacHack: Het Ultieme Macintosh Evenement" in TidBITS-487.)

<http://www.opensource.org/>
<http://www.tuxedo.org/~esr/>
<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tbart=05463>

Wat is open source? Het basisidee achter open source is dat geïnteresseerde ontwikkelaars samenwerken over het Internet aan projecten die gecoördineerd en onderhouden worden door enkele centrale programmeurs. De resulterende software wordt dan gratis verspreid met de broncode erbij, wat eender welke ontwikkelaar die bugs vindt of die iets wil verbeteren de kans geeft dat te doen. Als het geaccepteerd wordt door de coördinators, dan komen de wijzigingen in de volgende versie te staan.

Deze benadering levert open source software met zowel een hoge betrouwbaarheid als snelle reacties op bugs en veiligheidsproblemen. Voeg er dan nog de prijs aan toe (gratis!), en je kan de populariteit begrijpen van open source initiatieven als het Linux besturingssysteem en de Apache webserver.

Hoewel het open source model inherent los schijnt te staan van geld, is dit niet echt waar. Je kan argumenteren dat Bill Gates' innovatie, die toeliet de software-industrie te creëren niet MS-DOS of Windows was, maar het concept dat software zelf waarde had en verkocht kon worden. De industrie ging dan over naar een model waarin software gedistribueerd werd zoals fabrieksproducten, met opbrengsten uit de verkoop ervan en met gratis documentatie en support erbij geleverd. Het probleem, zoals Eric duidelijk maakte is dat dit "fabrieksmodel" een vast bedrag opbrengt maar een ongeveer ongelimiteerde ondersteuningskost met zich meebrengt in de toekomst.

Ga nu terug naar open source. Er is niks verkeerds aan het weggeven van software, maar iedereen moet zijn brood kunnen verdienen. Het open source zakenmodel kan alleen werken als je iets anders aanrekent dan de software. Dat kan documentatie zijn, ondersteuning, verpakking, of secundaire producten zoals plug-ins - wat ook de details mogen zijn, we hebben het hier over een dienstenmodel dat het productiemodel vervangt. Dat is hoe Red Hat en andere open source firma's aan hun geld komen, en zelfs in de wereld van de traditionele commerciële software is het verkopen van ondersteuning, training en documentatie een steeds belangrijker bron van inkomsten geworden voor softwarebedrijven.

<http://www.redhat.com/>

Hard tegen hard -- Eric's uiteenzetting had in het begin voor om het even welk publiek kunnen bestemd zijn, maar het was duidelijk dat dit zijn eerste contact was met de Mac-ontwikkelaarsgemeenschap, zelfs al slaagde hij er in het open source model met glans te verdedigen. De grootste kloof, die bijna onmiddellijk opdook, was het feit dat in de open source wereld zoveel belang wordt gehecht aan een coöperatief model van ontwikkelaars, wat in scherp contrast staat met de Mac-wereld, waar de nadruk veeleer op de eindgebruiker ligt.

In het open source model kan iedereen code bijdragen, zelfs al worden de projecten gecoördineerd door een basisgroep programmeurs. De programmeurs blijven met elkaar in contact via mailinglijsten, websites, en andere vormen van elektronische communicatie; zij zijn veelal ook de gebruikers van de software. Open source programma's zijn nog maar recent beginnen doorsijpelen in de meer hoofd-gebruikerswereld - een technisch onderlegde gebruiker kan zich nu een kopie van Linux aanschaffen en ze installeren, maar een standaard Linux-box aan een complete computerleek geven is nog altijd uitgesloten.

De Macintosh was van oorsprong altijd al "the computer for the rest of us,", en deze opvatting vinden wij overal in terug. Zelfs je grootmoeder kan snel aan de slag met een iMac. Bovendien heeft de relatief kleine Macintosh-markt en de minderheidsstatus van de markt een sterk gemeenschapsgevoel gecreëerd dat programmeurs helpt zich te identificeren met "the rest of us." In het begin van het Macintosh-tijdperk waren elektronische communicatiemiddelen niet alomtegenwoordig, zodat Mac-gebruikers elkaar persoonlijk ontmoetten in enorme gebruikersgroepen. Dat, plus alleen al het feit dat er een markt bestond - wat nog maar recent het geval is voor de open source wereld - betekende ook dat evenementen zoals Macworld Expo de mogelijkheid gaven aan ontwikkelaars tot wisselwerking met het publiek. En tot slot zijn in de Macintosh-wereld programmeurs tegelijkertijd ook gebruikers, wat duidelijk werd geïllustreerd door de intense netwerksessies van Carmageddon op MacHack.

<http://www.interplay.com/carma/>

Deze benadering die de gebruiker in het midden plaatst verklaart ook voor een deel de afschuwelijke gebruikersinterface van open source software, wat Eric vlot toegaf. Als alle gebruikers van een programma heel technisch zijn, dan zijn er andere prioriteiten dan een gebruikersvriendelijke interface. Een lichte dictatuur kan veel bijdragen tot een goede interface. De nadruk die Apple legde op een grafische gebruikersinterface die intern heel consistent is heeft vruchten afgeworpen: bijna alle Macintosh-programmeurs werken hard aan de interface, soms harder dan aan de echte programmacode. Aangezien in de open source gemeenschap geen voorschriften voor human interface bestaan waaraan een programma moet voldoen om de "juiste" look and feel te hebben, zijn er interfaces van programma's in allerlei kleuren, en zijn zij vaak gebaseerd op de commandolijn en tekstgebaseerde configuratiebestanden van de Unix-achtergrond van open source.

De hechte band tussen software-ontwikkelaars en gebruikers was ook de aanleiding voor reacties toen Eric stelde dat closed source software inherent onstabiel is omdat deze software niet als het ware door een jury van gelijken werd geëvalueerd. De aanwezigen op MacHack gingen er prat op dat zij stabiele code schreven, omdat onstabiele code niet alleen nadelig was voor de gebruikers, maar ook een bron van dure support-oproepen. Eric kon hier echter gemakkelijk op reageren met de vraag hoeveel jaar Macs gewoonlijk draaien voor je ze moet herstarten. De waarheid is moeilijk precies te bepalen, aangezien de mensen op MacHack waarschijnlijk betere code dan het gemiddelde schrijven. Bovendien zijn veel bugs die in een programma lijken voor te komen vaak te wijten aan het Mac OS zelf, en niemand durft te beweren dat het Mac OS zo betrouwbaar is als Linux. Anderzijds is Linux voornamelijk een server-besturingssysteem, en het Mac OS wordt voornamelijk door individuele gebruikers gedraaid, bij wie de kans dat zij iets onvoorziens zullen uitvoeren veel hoger ligt.

De sterkste weerstand tegen de open source ideeën van Eric kwam er toen hij het fabrieksmodel van software bekritiseerde. Hij stelde dat de meeste programmeerjobs liggen in in-house supportsystemen, zelfs al is het maken van software voor de verkoop het bekendste aspect aan een programmeerjob. Zelfs al was iedereen er het in grote lijnen mee eens, in-house ontwikkeling op Macs is een relatief zeldzaam fenomeen, en een groot deel van het publiek haalt een inkomen uit het verkopen van software. Even werden de gemoederen warm omdat het MacHack-publiek de kritiek van Eric op het fabrieksmodel aanzag als een aanval op hun bron van inkomsten. Gelukkig haalde de rede de bovenhand en iedereen kon wat ontspannen toen zij zich realiseerden dat de Macintosh-industrie al van het fabrieksmodel weg evolueert. Secundaire producten (zoals plug-ins voor Photoshop), training, documentatie, op maat geschreven programma's, betalende support, en zelfs reclame zijn een aanvulling op de verkoopprijs of vervangen deze helemaal. Door de moeilijkheden die er lange tijd waren voor Macintosh-software in de gewone computerhandel, zijn we zeker al lang gewend aan het aanschaffen en verdelen van onze software op een niet-standaard manier, wat ons alleen maar verder van het fabrieksmodel kan voeren.

Ontmoeting van de breinen -- Eric Raymond verdient hulde om het op het podium staan van middernacht tot zes uur 's ochtends en om het discussiëren met een zaal vol Mac-ontwikkelaars. Koppigheid stond tegenover koppigheid: het is een van de karaktertrekken van programmeurs dat ze allemaal overtuigd zijn van hun eigen gelijk. Maar Eric verdient ook waardering voor het verdedigen van zijn standpunt dat de open source gemeenschap moet leren van de Macintosh wereld, zowel wat betreft het leren een goede interface te creëeren als in communicatie met het gebruikerspubliek. De MacHack ontwikkelaars gaven toe, soms volledig, soms met tegenzin, dat het open source model ook in de Mac wereld erg nuttig zou kunnen zijn.

De situatie verbeterde gedurende de conferentie omdat Eric niet alleen maar een praatje hield maar rond bleef hangen tijdens de gehele conferentie en helemaal de geest kreeg. Leonard Rosenthol, een veteraan die alle vijftien MacHack conferenties heeft meegemaakt en een groot voorstander van het open source model voor Macintosh software is, stelde voor dat iedereen een donatie gaf om ernaast bij CompUSA voor Eric een iBook te kopen. Een dag later zat er genoeg geld in de "Koop een iBook voor Eric Raymond" doos dat hij een blueberry iBook gepresenteerd kreeg met extra RAM en een keur aan software van de bedrijven die op MacHack aanwezig waren. Hij was totaal verrast toen hij zijn cadeau kreeg en deed vervolgens met Maurita Plouff mee aan de the Hack Wedstrijd met een hack geschreven in de Python scripting taal.

Aan het einde beloofde Eric terug te komen op MacHack en stelde hij voor een OpenHack conferentie op te zetten naar het voorbeeld van de aanpak en de cultuur van MacHack. Beiden zouden dan de banden tussen de open source en de Macintosh gemeenschappen kunnen versterken; banden waar we allebei wat aan hebben.


Internet bedienen vanaf een PowerBook 5300

door Ron Risley <ron@risley.net>
[vertaling: DPF, HvH, GH, JG]

Het is nu zo'n jaar geleiden toen de verleiding begon.

Ik was een vroege gebruiker van ISDN, maar jaren later vond ik dat het eigenlijk nooit zijn belofte heeft ingelost. Nu DSL in mijn regio beschikbaar kwam, en nu ik het telco hoofdkantoor met een goedgeplaatste worp vanuit mijn achtertuin kon bereiken leek het me dat ik uitstekende resultaten zou moeten kunnen bereiken, omdat de bandbreedte die via DSL beschikbaar zou zijn deels afhankelijk is van de lengte en conditie van de draden die lopen van hun hoofdkantoor naar jouw site.

Mijn DSL-installatie was snel en eigenlijk foutloos, in tegenspraak met de complicaties die veroorzaakt werden door de conversie van ISDN. Om de DSL lijn geïsoleerd te houden van de rest van mijn netwerk leverde Pacific Bell een PCI Ethernet kaart voor mijn Mac. Mijn downlink snelheid bereikte een snelheid van 1,5 megabits per seconde (Mbps), alhoewel PacBell mijn uplink bandbreedte afschermde op 128 Kbps.

<http://www.pacbell.com/>

De vreugde verspreiden -- Ik kon niet gelukkiger zijn alhoewel deze nieuw-verworven snelheid alleen opging voor mijn centrale computer. De iMac van mijn vrouw Kim, nauwelijks twee meter verderop was nog steeds verbonden met een 56 Kbps analoog modem (en omdat onze gewone telefoonlijn hetzelfde paar draden gebruikte als de DSL verbinding kon ze niet langer tegelijkertijd surfen en telefoneren). Andere minder gebruikte machines die zich her en der in het huis bevinden hebben helemaal geen Internet toegang. We hadden een manier nodig om deze enorme bandbreedte te kunnen delen.

Een snelle zoektocht op het Web leverde een aantal DSL routers op. Deze apparaten zoeken verbinding zowel met de DSL lijn als met het Ethernet netwerk, en kunnen vervolgens een enkel IP adres delen met verschillende machines door gebruikmaking van Network Address Translation (NAT). Precies wat ik nodig had, alhoewel zowel Kim als ik co-assistenten zijn, zodat we net iets meer dan het minimumloon verdienen. Het had ons 200 dollar gekost voor de installatie van DSL en dat betekende dat mijn computerbudget voor een aantal maanden op was - en de DSL routers van bedrijven als Netopia beginnen op zo'n 500 dollar.

<http://www.faqs.org/rfcs/rfc1631.html>
<http://www.netopia.com/>

Ik bedacht me dat er ook een software oplossing zou moeten zijn. Toen ik nogmaals zocht vond ik SurfDoubler van Vicomsoft en IPNetRouter van Sustainable Softworks.

<http://www.vicomsoft.com/>
<http://www.sustworks.com/>

Het product van Vicomsoft zag er gebruiksvriendelijk en elegant uit, maar het aantal gebruikers was beperkt tot twee of drie. Ik werd aangetrokken door de benadering van IPNetRouter, die in feite de kracht van Open Transport maximaal uitbuiten. De interface is priegelig en flexibeler, en omdat ik een priegelig type ben, downloadde ik de gratis demo.

IPNetRouter deed alles wat zijn schrijver, Peter Sichel, beloofde. Ik overschreed mijn budget enorm door het 89 dollar kostende programma te registreren (er zijn aantrekkelijke upgrade prijzen voor gebruikers in het onderwijs en gebruikers van concurrerende pakketten) en in een paar minuten genoot de iMac van mijn vrouw dezelfde soepele internettoegang. Tenminste, zo lang als mijn machine aanstond. Dat was een probleem: ik houd ervan om software te schrijven, wat betekent dat mijn machine vaak vastloopt en herstart moet worden wanneer ik aan het testen ben. Bovendien haat ik het geluid van de ventilator en heb ik een hekel aan het verspillen van energie. Om mijn SuperMac S-900 met twee ventilatoren en twee monitoren voortdurend aan te laten terwijl ik de machine niet gebruikte was dus een probleem voor me.

Full-Time Service -- Men heeft me verteld dat IPNetRouter niet zoveel processorkracht gebruikt. Ik had nog een oude PowerBook 5300cs die ik verder niet meer gebruikte die zowel een probleem met het scherm had als een niet meer werkende trackpad. De machine was op zich de moeite van het repareren niet waard, maar de processor deed het nog prima. De machine had geen ventilator, was zuinig met stroom en had zelfs back-up stroom in de vorm van de ingebouwde batterij. Zou ik hem nog als een router kunnen gebruiken?

En inderdaad. Ik sloot er een externe monitor op aan en een muis voor de korte tijd die het zou duren om AT&T's Virtual Network Computing (VNC) erop te installeren. Deze software stelt een andere machine in staat de machine op afstand te bedienen (zie het artikel van Kevin Savetz over eerdere versies van VNC in TidBITS-441.) Het is niet zo stabiel of rijk aan mogelijkheden als Timbuktu van Netopia, maar het doet wat het doen moet en paste bovendien in mijn budget omdat het gratis is. Vervolgens kocht ik een Ethernet PC Card van TidBITS sponsor Small Dog Electronics voor 19 dollar, installeerde IPNetRouter op de PowerBook en verbond hem met mijn Ethernet hub.

<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tbart=05021>
<http://www.uk.research.att.com/vnc/>
<http://www.netopia.com/software/>
<http://www.smalldog.com/>

Wat begonnen was als een eenvoudige overstap van ISDN naar DSL was overgegaan in een klein maar niet onbelangrijk LAN project. Ik had nu een stabiele en snelle continue Internet-verbinding die gedeeld kon worden door alle computers bij mij thuis. Je zou denken dat dat me tevreden zou moeten stellen.

Maar er stak een ander probleem de kop op.

Een web voor jezelf -- Ik ben al lange tijd op het Web aanwezig, maar ik vond het altijd voldoende dat mijn site werd aangeboden door mijn provider. Waarom moeilijk doen door zelf constant een server aan te moeten hebben staan, als server-ruimte bij de meeste provider-abonnementen is inbegrepen? De provider die ik had voor mijn oude ISDN-verbinding ondersteunde echter geen DSL. Mijn site moest dus verhuizen, dat betekende het herschrijven van alle pagina's die afhankelijk waren van server-specifieke bronnen (overwegend CGI scripts om e-mailformulieren te behandelen) om ze compatibel te maken met PacBell's servers. Bij PacBell is een DSL-abonnement beperkt tot drie megabytes server-ruimte, daar zou mijn site maar nauwelijks oppassen. Gratis server-sites bestaan, maar gewoonlijk met de voorwaarde dat je advertenties vertoont, en ik ben er trots op dat mijn site advertentieloos is. Ik zou meer server-ruimte kunnen kopen bij PacBell of elders, maar dan kwam dat irritante budgetprobleem weer om de hoek kijken.

Ik wierp een onheilspellende blik op mijn 5300cs onder mijn bureau. Altijd aan. Altijd verbonden. Statisch IP adres. Honderden megabytes vrije diskruimte. Daar stond de perfecte kandidaat voor een server!

Omdat ik niet eerder behoefte had gehad aan een webserver, had ik niet echt een idee van wat voor server-software er voorhanden was. Ik wist van StarNine's WebSTAR, maar dat overtrad de Eerste Budget Bepaling. Mijn korte zoektocht naar een goedkope server werd beloond toen ik er aan werd herinnerd dat Apple's Personal Web Sharing deel uitmaakt van het Mac OS sinds versie 8.0, en werkt onder Mac OS 7.6. [Een andere optie is NetPresenz, de gerespecteerde shareware applicatie die voorziet in Web, FTP, en zelfs Gopher servers, maar de prijs van $75 is hoger dan die van het gratis Personal Web Sharing. Ron verhuisde uiteindelijk zijn server naar NetPresenz, maar dat valt buiten het bestek van dit artikel. -Geoff]

<http://www.starnine.com/>
<http://asu.info.apple.com/swupdates.nsf/artnum/n10773>
<http://www.stairways.com/netpresenz/>

Ik activeerde Personal Web Sharing, kopieerde mijn website-documenten maar de 5300cs, en nu was ik de aanbieder van mijn eigen site! Tot mijn verrassing gebruikte Personal Web Sharing zelfs Samengebruik ter ondersteuning van simpele beveiliging (wachtwoord-beschermde web pagina's) en CGI-scripts. Ik ontdekte al snel een overvloed aan AppleScript CGIs op het Web, en installeerde het gerespecteerde Email CGI om mijn formulieren te ondersteunen.

<http://cgi-resources.com/Programs_and_Scripts/AppleScript/>
<http://www.lib.ncsu.edu/staff/morgan/email-cgi.html>

Waarom geen e-mail? High-speed access voor al mijn machines, een lokale webserver met honderden megabytes om mee te spelen, de vrijheid om mijn eigen CGI scripts te schrijven... dat had genoeg moeten zijn, maar ik was bevangen door het server-virus. Ik had altijd al wat mailing-lijsten willen aanbieden om mijn huisgenoten te helpen beter te communiceren, maar ik had nooit toegang tot een list-server. Ik dacht aan Macjordomo, een al lang bestaande mailing-list server, en tot mijn verbazing was deze nog steeds gratis.

<http://leuca.med.cornell.edu/Macjordomo/>

Voor Macjordomo heb je geen eigen mail-server nodig, maar ik realiseerde me dat ik verschillende adressen nodig had voor iedere lijst, daar ik me wilde houden aan de richtlijnen voor mailinglist-beheer, die zijn gepubliceerd in TidBITS (hoewel ik nog niet alle koppen heb gezet).

<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tbart=05321>

Ik kon natuurlijk extra postbussen bij PacBell krijgen, maar dan stak dat budget-probleem zijn kop weer op. De Macjordomo documentatie noemde echter een aantal gratis Mac POP en SMTP mail-servers. Hier kon ik zoveel postbussen krijgen als ik wilde. Eerst bekeek ik Eudora Internet Mail Server (EIMS) want ik ben een grote Eudora fan. De commerciële versie ziet er goed uit maar gaat ver boven mijn budget. De freeware versie lijkt ook goed te werken, en heeft zijn eigen volgelingen, maar ik kreeg de anti-relay eigenschappen niet aan het werk zoals ik het wilde. Ik zou het mezelf niet vergeven als iemand via mijn site spam zou versturen. Dus nam ik mijn toevlucht tot Stalker Internet Mail Server (SIMS), een flexibele server met uitstekende anti-spam eigenschappen.

<http://www.eudora.com/freeware/servers.html>
<http://www.stalker.com/SIMS/>

Nu kon ik zoveel postbussen maken als ik wilde, en al doende had ik een ander probleem opgelost: veel van mijn patiënten willen via e-mail met me communiceren. Sommigen versleutelen hun e-mail met PGP, maar voor anderen is dat te ingewikkeld. Ik maakte me zorgen om hun berichten, die onversleuteld op iemands POP server rondzwierven. Hoewel berichten nog steeds kunnen worden onderschept, gaan ze nu tenminste wel naar een computer onder mijn controle.

Est nomen omen? Dat zou zeker het einde der zaken betekenen. Ik had nu een server voor e-mail en voor het web, een mailing list manager, en een NAT-toegeruste router. En dat allemaal voor zo'n $200. Het enige probleem was de door PacBell aan mijn PowerBook 5300 toegekende 'vriendelijke' naam, verschrikkelijk, meer dan 40 tekens lang en een wirwar van letters, cijfers en streepjes. Hoe zou iemand een e-mailadres op een website moeten onthouden dat naar een willekeurige slag op het toetsenbord lijkt?

Ik geef het toe, ik heb altijd een begeerte gehad naar een ijdelheid strelend Internet-adres. Nu was ik verontschuldigd, met openbreken van de markt voor domeinnaamregistratie zakten de prijzen. Het zou een kleine meer-uitgave zijn, maar tegen die tijd zou ik een aantal maaltijden overgeslagen hebben tijdens de pogingen om al die server programmatuur aan het lopen te krijgen. Ik registreerde mij bij Network Solutions voor $70 per twee jaar.

<http://www.networksolutions.com/>

Nog een punt: om een domeinnaam te registreren heb je twee aparte domeinnaam servers nodig, idealiter op zover mogelijk topologisch gescheiden punten van het Internet. Er zijn weer vele commerciële mogelijkheden, maar ik had een budgetvriendelijke oplossing nodig.

Gelukkig zijn er twee gratis name servers beschikbaar voor het Mac OS. Maar eerst een waarschuwend woord. Met wat vasthoudendheid en geduld zullen de meeste mensen wel zover komen. De gratis Web-, e-mail- en mailinglist-software is over het algemeen van hoge kwaliteit, goed ondersteund en min of meer makkelijk te gebruiken. Het DNS systeem echter blinkt niet uit in gebruikersvriendelijkheid. Het verkrijgen van begrip van dit geheime wonder verbonden met DNS servers en hun zone files kan een monumentale uitdaging zijn. Als je het niet haalt en iemand anders gaat betalen om dat deel van je site te beheren trek dan je portemonnee maar wijd open voor een vriendelijk en ondersteund commercieël product (zoals QuickDNS Pro van Men & Mice $290), ik zou beginnen met DNS.

<http://www.menandmice.com/>

Zeer lovenswaardig heeft Apple in 1995 geprobeerd DNS een vriendelijk gezicht te geven toen ze speelden met het idee om Internet servers op de Mac te gaan ondersteunen. MacDNS maakt het mogelijk om een domein naam server online te krijgen in minuten, ondanks de beperkte mogelijkheden, slechte prestaties en bedenkelijke stabiliteit (hoewel sommigen probleemloos gebruik melden). Het is nog steeds beschikbaar als gratis download van Apple maar is niet meer van updates voorzien sinds 1996.

<http://db.tidbits.com/getbits.acgi?tbart=01532>
<http://asu.info.apple.com/swupdates.nsf/artnum/n11264>

NonSequitur is een alternatief voor Unix geeks en anderen die het mysterie van BIND-format zone files aandurven. Het is een kleine, snelle en gestroomlijnede name server die extreem stabiel lijkt. Het is ook gratis en de name server van mijn keuze. Omdat de MacDNS en NonSequitur zone files beiden het BIND format gebruiken is het denkbaar dat je MacDNS als front-end (lees interface) gebruikt om zone files te creëren voor NonSequitur, maar eigenlijk heb ik dat niet geprobeerd.

<http://www.gross.net/sw/nonsequitur/>

Het vinden van een secundaire DNS bleek moeilijker te zijn. Ik had maar één IP adres dus moest mijn secundaire server ergens anders gehost worden. Voor de korte termijn gebruikte ik een tijdelijk ongebruikte computer op m'n werk. DNS gebruikt over het algemeen weinig bandbreedte en kan voor weinig gebruikte sites ogenschijnlijk in de achtergrond draaien, maar deze oplossing was niet echt bevredigend: ondanks de geringe computerbelasting gebeurde het niet allemaal op mijn computers.

Idealiter, nu hogere snelheden algemener worden, kunnen we simpele wederkerige DNS hosting partnerschappen aangaan, jij doet secundaire DNS hosting voor mij, en ik doe het voor jou. De meeste DNS programma's kunnen als secundaire servers werken door queries (verzoeken) te doen bij de primaire DNS server, zone files hoeven op die manier niet handmatig gesynchroniseerd te worden tussen beide machines. MacDNS en NonSequitur werken primair maar ondersteunen geen secundaire DNS. Een slim AppleScript kan waarschijnlijk de beperkingen omzeilen, maar dat project is beland op de weg geplaveid met goede voornemens. Het commerciële QuickDNS Pro biedt wel secundaire diensten, maar na een budget-herstel heb ik uiteindelijk secundaire DNS diensten aangekocht. Verscheidene providers bieden secundair DNS voor 1 à 2 dollar per maand.

<http://www.backupdns.com/>
<http://www.nols.com/dnservice.html>
<http://www.secondary.net/>

Eerlijk delen -- Voldoende zekerheid zou genoeg moeten zijn, maar er was nog één stuk dat ik op z'n plaats wou hebben. Ik was verwikkeld in een ander project dat wat hosting services nodig had. Nu dat ik al de stukken op hun plaats had, hoe moeilijk zou het kunnen zijn om nog een domain op mijn server toe te voegen?

Spoedig raakte ik de moed kwijt. Er zijn goed ingestelde regels om een enkel IP adres te delen tussen meerdere Web sites als een manier om schaarse IP adres ruimte te conserveren - een gewoonte die virtuele hosting genoemd wordt. Helaas schijnen virtuele hosting uitvoeringen voor het Mac OS beperkt te zijn tot WebSTAR plug-ins. Ik piekerde een paar dagen over het idee voordat het me inviel dat een CGI script het werk kon doen. Toen ik het script ging creëren ontdekte ik dat het angstig eenvoudig was. In z'n meest fundamentele vorm kan Web server multihoming tot stand gebracht worden met slechts drie regels AppleScript! Zelfs nadat ik wat fouten checken en verfijningen toegevoegd had was het script minder dan de lengte van een scherm en ondersteunt het een ongelimiteerd aantal Web sites die allemaal op het zelfde IP adres thuishoren.

Zich meester maken van de Web wereld -- We hebben allemaal de geestigheid van A.J. Liebling gehoord, "Vrijheid van de pers is gegarandeerd alleen aan diegenen die er een bezitten." Wat zo merkwaardig is, in mijn opinie, is de dramatische manier waarop het Internet de kosten van eigendom van de (druk)pers heeft verminderd. Het enige grootste stuk van de puzzel was volledige toegang tot het Internet, maar de rest van het werk van bouwen van een geheel ontwikkelde Internet tegenwoordigheid vereist weinig geld, een schroot-computer, en een stuk vrije tijd.

Toen ik in het verleden overwoog mijn eigen server op te zetten, had ik altijd aangenomen dat ik het met Linux zou runnen. Achteraf ben ik blij dat ik de Mac OS benadering nam, al was het zonder plan. Het overtuigde mij, zoals niets anders dat zou kunnen, hoe levensvatbaar Macintosh is als een Internet platform.

Meer informatie over het opzetten van Internet diensten met het Mac OS kan gevonden worden in het boek Providing Internet Services via het Mac OS, door Carl Steadman en Jason Snell, verkrijgbaar online. Alhoewel het boek uitgegeven was in mid-1996 en nu in sommige plaatsen vrij uit de tijd is, het was destijds veelomvattend en de fundamentele ideeën blijven nog steeds waar.

<http://www.pism.com/>

[Ron Risley zou een dot-com kunnen zijn. In plaats deed hij z'n communicatie consult-bedrijf in 1986 dicht om een nieuwe carrière als psychiater en familiedokter te beginnen.]

<http://www.risley.net/>


Niet-winstgevende en niet-commerciële publicaties en Websites mogen artikels overnemen of een HTML link maken als de bron duidelijk en volledig vermeld wordt. Anderen gelieve ons te contacteren. We garanderen de precisie van de artikels niet. Caveat lector. Publicatie-, product- en firmanamen kunnen gedeponeerde merken zijn van hun ondernemingen.

Vorige aflevering | Search TidBITS | TidBITS Homepage | Volgende aflevering